Gods nabijheid

.

Jakobs ladder

Jakob had een ​droom. Hij zag een ladder die op de aarde stond en helemaal tot de hemel reikte, en daarlangs zag hij Gods ​engelen​ omhoog gaan en afdalen. Ook zag hij de Heer bij zich staan, die zei: ‘Ik ben de Heer, de God …
Genesis 28:12-13

Jakobs ladder symboliseert een verbinding tussen hemel en aarde, tussen Gods leefwereld en de onze. De heen en weer gaande engelen zijn een weergave van Gods actieve aanwezigheid. Engelen zijn niet weg te denken in de bijbel. Het zijn bovennatuurlijke wezens die door God in de hemel met een boodschap of met een welbepaalde opdracht gestuurd worden naar de mensen op aarde. Ze zijn uitvoerders van Gods werk maar vooral de entourage van zijn aanwezigheid.

Toen ​Jakob​ wakker werd zei hij: ‘Dit is zeker, op deze plaats is de Heer aanwezig … Wat een ontzagwekkende plaats is dit, dit is niets anders dan het ​huis​ van God, dit moet de ​poort​ van de hemel zijn!’ … Hij gaf die plaats de naam ​Betel.
Genesis 28:16-19

Jakobs ladder is de plaats op aarde waar zich de poort naar de hemel bevindt. Jakob was niet naar de hemel geweest, God was op aarde gekomen! Jakob noemde deze plaats Betel of ‘het ​huis​ van God’, de hemel op aarde. Niet een zoete romantische plaats, maar het punt waar hemel en aarde op ontzagwekkende manier samensmelten.

Nu even naar het Nieuwe Testament: ‘Waar kent U mij van?’ vroeg Natanaël. Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Nog voordat Filippus je kwam roepen, toen je onder de vijgenboom zat, had Ik je al gezien.’ ‘Rabbi,’ zei Natanaël, ‘U bent de Zoon van God, U bent de koning van Israël!’ Waarop Jezus zei: ‘Je gelooft dus omdat Ik zei dat Ik je gezien heb onder de vijgenboom? Je zult nog grotere dingen zien!’ En Hij voegde eraan toe: ‘Waarachtig, Ik verzeker jullie:

je zult zien hoe de hemel geopend is en Gods engelen opstijgen en neerdalen boven de Mensenzoon.’

Johannes 1:48-51

Bij de aanvang van zijn openbaar optreden als verkondiger en vertegenwoordiger van het koninkrijk van God, koos Jezus apostelen uit die later zijn werk zouden verder zetten. Eén van hen was Natanaël. Die was zeer verbaasd toen Jezus zijn oog op hem liet vallen en hem bleek te kennen. Maar Jezus maakte hem duidelijk dat hij nog veel meer te verwachten had. Jezus noemde zichzelf de Mensenzoon en gebruikte het beeld van Jakobs ladder om duidelijk te maken wie hij precies was: de persoon bij wie hemel en aarde op ontzagwekkende manier samensmelten. De mens in wie God op aarde is gekomen.

Mensenzoon‘ is een term uit een visioen van de profeet Daniël (hfst 7). Het visioen gaat over wereldbeheersers die door God worden veroordeeld en verslagen. De mensenzoon is een ‘mens’ die van de hemel komt en alle macht ontvangt, over heel de wereld, voor eeuwig. De ‘mensenzoon’ is duidelijk de brenger van het koninkrijk van God en van gerechtigheid. Hij is de messiaanse ‘koning van Israël‘. De uitdrukking ‘mensenzoon’ wordt in het Nieuwe Testament vaak gebruikt, vrijwel uitsluitend in passages waarin Jezus deze titel op zichzelf toepast (zie vooral Marcus 14:61-62). Dat Jezus tegenover Natanaël naar de  ‘mensenzoon’ verwees was een bevestiging van Natanaëls eerdere conclusie dat Jezus de ‘koning van Israël’ was. Niet een koning als alle andere, maar werkelijk Gods gezalfde, de Messias (in het Grieks de Christus), door God gezonden om alles in orde te brengen of om de finale gerechtigheid op aarde te vestigen. ‘De Zoon van God‘ zei Natanaël nog, de volwaardige en compleet gevolmachtigde vertegenwoordiger van God. Hij die Gods aanwezigheid op aarde realiseert.

De tempel

Nadat Gods volk zijn woestijntocht had beëindigd vestigde het zich in het beloofde land. Daar was God permanent aanwezig in de tempel, een gebouw gebaseerd op het ontwerp van de tabernakel. In het hart van de tempel bevond zich de ark van het verbond, met op het deksel de afbeelding van twee engelachtige figuren, cherubs. De aanwezigheid van God bevond zich tussen de twee cherubs. Toen Mozes van God in de woestijn de instructies kreeg voor het bouwen van de ark, zei de Heer: “Daar zal ik met u samenkomen en van het verzoendeksel af, tussen de beide cherubs op de ark met u spreken.” Exodus 25:22. We lezen dat later koning Hizkia in de tempel God aanriep met de woorden “Here, God van Israël, die op de cherubs troont” 2 Koningen 19:15. Mensen kwamen naar de tempel om bij God te zijn, het was Gods verblijfplaats op aarde. Net als Jakobs ladder was de tempel de plaats waar hemel en aarde elkaar raken.

Jezus brengt daar verandering in. De Samaritaanse vrouw aan de waterput vroeg hem waar God behoort aanbeden te worden, in het Samaritaanse heiligdom of in de Joodse tempel? Jezus antwoordde: ‘Er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden … die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, hem aanbidt in geest en in waarheid. De Vader zoekt mensen die hem zo aanbidden, want God is Geest, dus wie hem aanbidt, moet dat doen in geest en in waarheid.’ Johannes 4:20-24. Aanbidding is een geestelijke actie, niet plaatsgebonden, in alle oprechtheid en vooral op basis van de waarheid over wie Jezus precies is.

De overlapping en samensmelting van hemel en aarde is de sleutel om te kunnen begrijpen wie Jezus werkelijk is. In de hemel is God, de Vader van Jezus. Op aarde bevinden zich de mensen. Zij hebben behoefte aan materiële dingen zoals dagelijks voedsel, maar ook aan rechtvaardigheid en aan nieuwe kansen om zelf rechtvaardig te worden. De achterliggende gedachte in de bijbel, of de grond van de ‘waarheid’, is dat heel het aards gebeuren, hoe vernuftig het ook in elkaar zit, geen mechanisme is dat op zichzelf functioneert, maar dat het geheel tot in de kleinste details,  permanent bekrachtigd en onderhouden wordt door God, de Vader van Jezus. Deze God aanbidden is niet alleen je afhankelijkheid erkennen, maar ook je waardering, dankbaarheid en aanhankelijkheid uitdrukken. Jezus is van de hemel naar de aarde gezonden, om dat waarin mensen niet blijken te slagen toch mogelijk te maken, namelijk samenwerken met God. Niet door vaardigheden te leren, maar door in Gods nabijheid of in zijn tegenwoordigheid te leren leven. Leerlingen van Jezus zijn vooral volgelingen, ze blijven bij hem en komen zo in aanraking met de realiteit van Gods tegenwoordigheid, in het raakpunt van hemel en aarde.

Jezus leerde zijn discipelen om bij God te komen met de volgende woorden: Onze Vader in de hemel, uw naam worde geheiligd, uw koninkrijk kome, uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel. Geef ons vandaag het nodige brood, en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben vergeven wie schulden heeft bij ons. En breng ons niet in beproeving, maar red ons van het kwaad.

Matteus 6:9-13

Vooreerst behoren de volgelingen van de ‘Zoon’ God ook ‘Vader’ te noemen. Van bij de eerste stappen met Jezus moet duidelijk zijn dat wie hem volgt de weg inslaat om te voldoen aan de roeping om als een zoon, een vertegenwoordiger van ‘God in de hemel’ te zijn. Daarvoor is de mens trouwens geschapen, zowel mannen als vrouwen, om op aarde een beeld van God te zijn (Genesis 1:27). In de oudheid, en bij autoritaire regimes ook vandaag nog, worden beeltenissen van de monarch geplaatst op de locaties in zijn rijk, waar hij niet fysiek aanwezig kan zijn. Zo is duidelijk wie daar gezag heeft en wiens wil moet worden uitgevoerd. God verbiedt dat een beeltenis van hem zou gemaakt worden (Exodus 20:1-5), hij heeft zelf in beelden voorzien. De mensen behoren die rol op zich te nemen, om als beeld van God hem te vertegenwoordigen in zijn schepping. Ze zijn daar echter niet in geslaagd, ze leven niet voor God en beheren de schepping niet voor hem, want ieder gaat zijn eigen weg. 

Daardoor is de mensheid van God vervreemd, niemand zal uit zichzelf God als ‘Vader’ aanspreken. Jezus is de unieke figuur die de mensen op aarde in een directe, intieme relatie kan brengen met God de Vader in de hemel (zie ook Joh 14:6). Dankzij Jezus kan de mens echt in Gods aanwezigheid zijn en met hem spreken. Bidden is geen gedachtenoefening, noch een geestelijke verplaatsing in het niets, maar een ontmoeting. Niemand mag zelf invullen wie of wat God is, zijn naam is onaantastbaar, heilig! Hoe intiem ook we met onze hemelse Vader kunnen praten, in Jezus’ naam benaderen we de onbenaarderbare, perfect correcte, onaantastbare, almachtige, hoog verheven God. Hij is niet een van ons, maar Hij heeft in Jezus Christus een weg voorzien om bij ons te zijn.

Jezus leert zijn volgelingen niet alleen om God ‘onze Vader’ te noemen, maar ook om als zijn vertegenwoordigers te vragen dat zijn koninkrijk of zijn heerschappij zou komen op het terrein waar ze zich bevinden, en dat zijn wil er zou opgevolgd worden, net als op de plaats waar Hij resideert. 

Dit is de roeping van ieder mens, en de leerschool om daaraan te voldoen is het volgen van Jezus, die zich de Mensenzoon noemt, naar de figuur in Daniël 7:13-14. Hij is de model-mens, met goddelijk mandaat.   

We bidden dat Daniëls profetie over de ‘Mensenzoon’ vervuld wordt. Dat is bidden voor gerechtigheid en wereldvrede doordat Gods koninkrijk op aarde komt, opdat net als in de hemel hier op aarde alleen nog gebeurt wat God wil. God wil vooral aanwezig zijn, wandelen en spreken met mensen die, anders dan Adam en Eva, in harmonie met hem willen leven.

Op het moment dat God zijn rechtvaardig bestuur werkelijk zal doordrijven, door zowel de naties als de individuen ter verantwoording te roepen (op de dag des Heren), zullen hemel en aarde elkaar helemaal overlappen (zie Openbaring 21:1-22:5). De gezonde manier om deze toekomstvisie van de bijbel in ons leven te integreren is er van uitgaan dat de toekomst in de tegenwoordige tijd is binnengedrongen, sinds Jezus op aarde verkondigde ‘De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie’ Marcus 1:15. Voor wie gelooft dat Jezus de Christus is, de ‘Mensenzoon’ uit Daniël 7, en bijgevolg Jezus volgt, is de toekomst reeds aangebroken en worden de krachten van de toekomende eeuw reeds ervaren (Hebreeën 6:5). Dit zijn krachten uit Gods leefwereld, uit de hemelse eeuwigheid, die in Christus op aarde gekomen is.

Johannes zegt dat hij zijn evangelie heeft geschreven opdat mensen in Jezus zouden geloven en daardoor deel zouden hebben aan het leven met God. Daarom heeft hij zijn evangelie zeer zorgvuldig samengesteld (zie hfst 20:31 en 21:25).

Op het einde van het eerste hoofdstuk en in het tweede hoofdstuk van zijn evangelie vertelt Johannes achter elkaar het volgende:

‘Je zult zien hoe de hemel geopend is en Gods engelen opstijgen en neerdalen boven de Mensenzoon.’

Op de derde dag was er een bruiloft in Kana, in Galilea …

Hij trof op het tempelplein de handelaars in runderen, schapen en duiven aan, en de geldwisselaars die daar altijd zaten. Hij maakte een zweep van touw en joeg ze allemaal de tempel uit, met hun schapen en runderen … de Joden vroegen: ‘Met welk teken kunt u bewijzen dat u dit mag doen?’ Jezus antwoordde hun: ‘Breek deze tempel maar af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.’ ‘Zesenveertig jaar heeft de bouw van deze tempel geduurd,’ zeiden de Joden, ‘en u wilt hem in drie dagen weer opbouwen?’ Maar hij sprak over de tempel van zijn lichaam. Na zijn opstanding uit de dood herinnerden zijn leerlingen zich dat hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en alles wat Jezus gezegd had.

Johannes 1:51, 2:1-12, 13-22

Nadat Johannes eerst verteld had dat Jezus het beeld van Jakobs ladder op zichzelf toepaste, sprak hij over Jezus’ teken tijdens de bruiloft in Kana. Daar werd duidelijk dat een nieuw begin (zoals een bruiloft), met Jezus erbij een nieuwe schepping is (zoals water werd herschapen tot wijn). Daarna vertelde Johannes over Jezus en de tempel. Jezus dreef de offerdieren en zij die de dieren verkochten uit de tempel. Hiermee maakte hij duidelijk dat het tijdperkt van dierenoffers voorbij was. En hij verklaarde dat hijzelf de functie van de tempel zou vervullen:

‘Breek deze tempel maar af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.’ Hij sprak over de tempel van zijn lichaam.

Hijzelf zou na te sterven en uit de dood op te staan het punt zijn waar hemel en aarde elkaar raken, de poort van de hemel.

Zo leren we Jezus in deze tijd kennen, en kunnen wij een relatie met hem ontwikkelen die ons binnenste en ons leven helemaal omvormt. In de Romeinenbrief staat: ‘Indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn met hetgeen gelijk is aan zijn opstanding’ Rom 6:5 NBG 1951. Dat is Jezus kennen zoals hij echt is, gestorven en herrezen, degene die een nieuwe schepping van ons maakt (zie ook 2 Korintiërs 5:17). Op die manier zullen wij in Gods tegenwoordigheid leren leven, en deel uitmaken van Zijn Leven. Lees ook 1 Petrus 1:3-5 en 2 Petrus 1:2-4

De kerk

De Kerk is de gemeenschap van de mensen die in Christus Jezus, met God, zijn Vader, leren wandelen of er naar zoeken om bewust deel uit te maken van Gods leven. Dit zijn stuk voor stuk mensen die daartoe hun van-God-vervreemd leven hebben afgelegd of “begraven hebben in Jezus’ dood”; en die momenteel leven in het geloof dat Jezus Christus en zijn Vader door de Heilige Geest een nieuw leven voor hen schept, in gemeenschap met de Vader, Zoon en Heilig Geest. Johannes 16:13-15, 17:20-23.

Deze gelovigen vormen een eenheid, één lichaam. Zij nodigen de wereld uit om hetzelfde te geloven, en om samen te voldoen aan de gemeenschappelijke roeping om de schepping voor God te beheren, zoals het staat in Genesis 1:28. Of om, waar we ons ook op aarde bevinden, God de Heer (de monarch) te vertegenwoordigen; Hem te aanbidden in Geest en waarheid; van zijn actieve, geestelijke aanwezigheid te getuigen en iedereen op te roepen om Jezus te volgen (vooreerst in zijn dood en verrijzenis zoals de doop het uitdrukt) en hen te leren om zich te houden aan alles wat Hij ons opgedragen heeft. Steeds voor ogen houdende dat Hij nabij is, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld. Zie Matteüs 28:19-20. Dit is de kerk en haar missie. 

In de eerste eeuw werd voor de kerk de benaming ‘ecclesia’ gebruikt. De ecclesia bestond al in de Griekse wereld. In eerste instantie was dat een vergadering van een paar mannen, die zich uitspraken over geschillen. In de tijd van de Griekse stadstaten werden dat vergaderingen van vrije burgers, uit het hele volk. Toen de kerk ontstond en zich zo heette, was dat vanuit de gedachte dat dit een vergadering zou zijn van vrije burgers, van alle mensen, mannen en vrouwen, slaven en meesters, jong en oud, die de vrijheid hadden gevonden door Jezus Christus, want ‘de Geest werd uitgestort op alle mensen’ (Handelingen 2:17). 

1 Korintiërs 12: 12-13 Ons lichaam met zijn vele delen vormt één geheel, en alle lichaamsdelen, hoe vele ook, zijn samen één lichaam; zo is het ook met Christus. Want wij allen, Joden en Grieken, slaven en vrijen, zijn in de kracht van een en dezelfde Geest tot één lichaam gedoopt, en allen zijn wij doordrenkt van één Geest.

Romeinen 12: 4-5 Zoals ons ene lichaam vele delen heeft en die delen niet allemaal dezelfde functie hebben, zo zijn we samen één lichaam in Christus en zijn we, ieder apart, elkaars lichaamsdelen. 

Galaten 3: 27-28 U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed. Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus.

Maar om hun eigen identiteit en missie beter te kunnen begrijpen, was er onder de gelovigen van de eerste eeuw nog een ander beeld voor de kerk gangbaar. Aan de Efeziërs schreef Paulus: 

Zo bent u dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Christus Jezus zelf als de hoeksteen. Vanuit hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan hem, de Heer, in wie ook u samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door zijn Geest.  Ef. 2: 19-22

De begrippen fundament en hoeksteen waren reeds gekend uit Jesaja. Het bedreigde volk hield toen stand door zich te verbergen en de waarheid geweld aan te doen, maar de profeet liet hen uitzien naar een stevige hoeksteen, als betrouwbaar fundament waarop ze ooit openlijk zouden kunnen bouwen.

Jesaja 28:15-16. “Wij houden ons schuil in bedrog en verbergen ons in leugens.” Maar dit zegt God, de HEER: “Ik leg in Sion een fundament met een uitgelezen grondsteen, een kostbare hoeksteen. Wie zijn vertrouwen daarop grondvest, hoeft geen andere toevlucht te zoeken.”

Christus Jezus, die tijdens zijn optreden in Jeruzalem naar zichzelf verwees als de tempel, wordt na zijn opstanding en hemelvaart door Paulus aanzien als de hoeksteen, waarop steen voor steen de tempel gebouwd wordt. Het zijn Jezus’ volgelingen, die vandaag als kerk (ecclesia of lichaam van Christus) het huis vormen waar God woont door zijn Geest. Weet u niet dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont? 1 Korintiërs 3: 16 en Wat heeft de tempel van God met afgoden te maken? Wijzelf zijn de tempel van de levende God, zoals God heeft gezegd: ‘Ik zal bij hen wonen en in hun midden verkeren, ik zal hun God zijn en zij mijn volk. 2 Korintiërs 6:16

Ook iedere volgeling van Jezus afzonderlijk, vertegenwoordigt Gods verblijf in deze wereld, ‘weet u niet dat uw lichaam een tempel is van de heilige Geest, die in u woont en die u ontvangen hebt van God, en weet u niet dat u niet van uzelf bent? 1 Korintiërs 6:19.

1 Petrus 2: 4-6 Voeg u bij hem, bij de levende steen die door de mensen werd afgekeurd maar door God werd uitgekozen om zijn kostbaarheid, en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn. In de Schrift (zie Jesaja 28:16) staat immers: ‘In Sion leg ik een hoeksteen die ik heb uitgekozen om zijn kostbaarheid; wie daarop vertrouwt, komt niet bedrogen uit.’

Vandaag is de kerk de plaats waar de realiteit van Gods tegenwoordigheid kan gezocht worden, het raakpunt van hemel en aarde. De poort naar de hemel of het punt waar hemel en aarde op ontzagwekkende manier samensmelten.