Leven met God

Ga niet langer de weg van de heidenen met hun loze denkbeelden. In hun geest heerst duisternis en ze zijn vervreemd van het leven met God, omdat ze hem niet kennen en hun hart voor hem gesloten hebben. 

Ef 4:27,18 NBV

Wat moeten deze zogeheten ‘heidenen’ missen? Het leven met God! Dat is wat wordt aangeboden in de verlossing, en wat per definitie de betrachting is van iedere christen. Om dit essentiele aspect van het christelijke leven te kunnen begrijpen, behoren we de diepte van de genade te vatten. Dit is inzien dat God zo graag bij ons wil zijn, dat hij daarvoor zichzelf geeft! 

Zo kwam God tot ons in zijn Zoon. Hij onderging de ergste gevolgen van het leven als mens tussen mensen die van nature1 blootgesteld zijn aan Gods toorn. D.w.z. overgeleverd zijn aan de gevolgen van hun ontaarding en aftakeling door de typisch menselijke gebreken en hun zelfgerichtheid. God de Vader liet zijn Zoon de beker van zijn toorn tot op de bodem leegdrinken. Hij heeft niet verhinderd dat God de Zoon werd gedood. Tenslotte riep Jezus het uit op het kruis: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?”2. Hij droeg het lot van de mensheid tot het uiterste.

De Vader heeft echter niet toegestaan dat de Zoon helemaal zou verteerd worden door de dood. In zijn pinksterpreek zegt Petrus: “God heeft hem laten opstaan door een eind te maken aan de weeën van de dood, want het was onmogelijk dat Hij door de dood werd vastgehouden”3. De dood van God de Zoon was zwanger van het onsterfelijke goddelijke leven. Er zou een nieuwe mens ontstaan, geschikt om deel uit te maken van Gods eeuwig leven. Petrus verduidelijkt Jezus’ opwekking uit de dood door psalm 16 te citeren ‘U zult mijn leven niet overlaten aan het dodenrijk en U zult uw heilige geen bederf laten zien. U hebt mij wegen ten leven gewezen en U zult mij overstelpen met vreugde in uw nabijheid’.4

Leven met God is deel uitmaken van Gods leven en overstelpt worden met blijdschap of geluk, in zijn nabijheid.

Jezus’ verríjzenis was geen reanimatie van een dode, maar deel van de ‘wegen ten leven’, om als mens doorheen de dood het onsterfelijke leven5 te bereiken. Hij is de eerste die uit de dood werd opgewekt tot onvergankelijkheid, de eerstgeborene uit de doden6. Zijn verrijzenis toont aan dat geen enkele kwaadwillige macht, geen enkele onrechtvaardigheid, geen enkele zondige activiteit ooit zal kunnen rekenen op de eindzege, zelfs niet als mensen er door gedood zouden worden. Christus’ dood en opstanding is de aanvang van de nieuwe schepping, waarin voor de betrokken mensen de essentie is dat de dood overwonnen is7.

• Hij zei: ‘De ​Mensenzoon​ zal veel moeten lijden en door de oudsten, de hogepriesters en de ​schriftgeleerden​ worden verworpen en gedood, maar op de derde dag zal hij uit de dood worden opgewekt.’
• Tegen allen zei hij: ‘Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen en dagelijks zijn ​kruis​ op zich nemen en mij volgen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden. Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of schaadt? 
• Lucas 9: 22-25 (NBV)

Tijdens zijn verblijf in deze gebrekkige, zelfzuchtige, ontaarde wereld predikte Jezus bekering en geloof in Gods koninkrijk dat hij op aarde aan het brengen was. Hij moedigde de mensen aan om hun van God vervreemd bestaan niet meer lief te hebben, maar om dit op te geven en in hem, de Christus, te geloven8. ‘Christus’ betekent ‘gezalfde’, de door God aangestelde koning over zijn rijk. Jezus sprak tot Joden, mensen die de Schriften kenden, of tenminste wisten wie de Christus is, in de Hebreeuwse Schrift is dat de Messias, de gezalfde door wie God zijn beloften waar zou maken.

Marcus beschrijft hoe Jezus na zijn oproep tot bekering en geloof aan individuen vroeg om alles wat hen bezig hield in de steek te laten en hem te volgen9. Een geestelijke leraar volgen was in die tijd niet ongewoon. Jezus was bovendien bijzonder, hij sprak met gezag en verrichtte wonderen. Bijgevolg had hij ook veel spontane volgelingen.

In de tekst uit Lucas 9 zien we dat hij de mensen eerst inlicht over zijn aanstaande lijden, dood en verrijzenis. Daarna legt hij hen uit wat het betekent om hem te volgen. Zo te zien is dat hem volgen in zijn dood en verrijzenis.

Wat ons huidig bestaan als christen in deze wereld betreft: wij zijn door de doop in zijn dood met hem begraven om, zoals Christus door de macht van de Vader uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden.10

De christelijke doop is essentieel! Niet als inwijdingsceremonie, maar we behoren werkelijk ondergedompeld (=gedoopt) te zijn in Christus’ dood. Het gaat niet om het water waarin we gedoopt worden, maar om hetgeen we ermee uitdrukken: Vereenzelviging met de dood en de verrijzenis van Jezus Christus. Als gedoopte ben ik iemand die zijn eigen leven heeft afgelegd of zichzelf verloochent. Iemand die alle zelfingenomenheid en waanwijsheid verafschuwt en die iedere zelfzuchtige drang en alle eigenbelang negeert. “Dagelijks je kruis opnemen” is iedere dag je dood tegemoet gaan, Paulus zegt het ook: “Elke dag sterf ik opnieuw”11. Dit mag echter geen zelfonderdrukking zijn! Want daardoor zouden we in ons binnenste alleen maar ongezonde psychische spanningen opbouwen. Jezus nam zijn kruis op “omwille van de vreugde die vóór Hem lag”12. Net als Jezus zullen wij een ‘nieuwe schepping’ ter wereld moeten brengen, we verliezen de oude mens onder druk van de nieuwe mens die ontstaat en zich reeds wil manifesteren. Jezus gebruikte nog een ander beeld: “Als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen, maar als hij sterft, draagt hij veel vrucht. Wie zijn leven liefheeft, zal het verliezen, en wie zijn leven haat in deze wereld, zal het behouden tot het eeuwige leven.”13 Laten we dit niet misverstaan, het eeuwige leven is niet te verwerven door ons leven in deze wereld te haten, maar omdat het nieuwe leven in ons ontkiemt zal ons oude leven afsterven, en krijgen we zelfs een afkeer van dit soort werelds leven. Ons lijden in de wereld die kreunt onder Gods toorn14, is als de pijn van een barende vrouw. Wanneer het kind gekomen is denkt zij niet meer aan de pijn.15

God gaf niet alleen zichzelf toen Jezus zijn leven voor ons gaf. Hij geeft zich dagelijks aan ieder van ons die zich ‘in de dood van Christus heeft laten onderdompelen’, om dit nieuwe schepsel in ons binnenste te weven. Dit is God de Heilige Geest die als Gods adem het leven van de verrezen Christus in ons blaast en ons helemaal wil vullen opdat wij door geestelijk omvorming een nieuw leven gaan leiden. Een leven met God.

Dit komt er in de praktijk op neer dat wie van de Heer Jezus houdt, diens woorden opzoekt en in zijn binnenste bewaart, om er naar te leven. De Heer heeft beloofd dat hij en zijn Vader dan liefdevol bij die persoon zal verblijven, en dat de Heilige Geest zal helpen om dit nieuwe leven te gaan leiden.16

Wie zich dus niet langer laat leiden door wat hij zelf wil maar door de inwonende God, ontwikkelt dit nieuwe leven door de Heilige Geest. Dit is een onsterfelijk leven, waarbij het verloochenen of laten afsterven van het oude, wereldse leven uiteindelijk net als bij het sterven van Jezus aanleiding zal geven tot lichamelijke opwekking uit de dood. Want als de Geest van hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal hij die Christus heeft opgewekt ook u die sterfelijk bent, levend maken door zijn Geest, die in u leeft.17

Dit motiveerde Paulus om, als voorbeeld voor iedereen die zich christen wil noemen, alles wat hem bezighield omwille van Christus op te geven, en één met Hem te worden: “Om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.” Niet omdat hij de wet zou hebben nageleefd, maar omdat hij in Christus geloofde.18

Het nieuwe leven dat zich nu reeds ontwikkelt als wij ondergedompeld worden in Jezus’ dood, is reeds het onsterfelijke of eeuwige leven van het toekomstige opstandingslichaam. Ons leven was reeds door onze zondigheid ten dode opgeschreven. Maar begraven in Jezus’ dood kan Jezus’ opstandingsleven in ons ontspruiten; hij heeft immers al onze zonden vergeven en hij is gestorven om een einde te maken aan de zonde.19 De Geest is het sterkere alternatief voor de wet van zonde en dood!20 We kunnen er met Paulus van uit gaan dat we nu reeds met Christus uit de dood zijn opgewekt. Wij zijn gestorven, en ons leven is met Christus verborgen in God. Het zal zich bij onze opstanding vertonen.21

Het christelijke leven, of leven met God blijkt heel radicaal te zijn: Alles opgeven, jezelf verloochen, sterven … Het is inderdaad belangrijk om radicale keuzes te maken, en om niet onze wispelturige gevoelens te laten domineren, of stuurloos rond te dobberen of met elke wind mee te waaien. Maar bestaat het christelijke leven dan uit het voortdurend verwezenlijken van de goede keuzes? Zijn de keren dat we door onoplettendheid toch de verkeerde kant opgaan, en zijn de gevolgen van onze zwakke momenten, dan waardeloos en een gegronde reden om ons leeg en neerslachtig te voelen? Als we situatie na situatie, moment na moment, zouden weggooien omdat ze ‘niet juist’ zijn, zou er eenvoudigweg geen plaats meer overblijven voor Gods werkzaamheid. God kan ons alleen tegemoet komen in de situatie waarin we ons werkelijk bevinden. Onze radicale keuzes zijn wegwijzers, geen noodzakelijke vaardigheden! Het leven met God is geen zelfkastijding en niet op-leven naar de superieure standaard van zijn heiligheid, maar de uitnodigende en helpende hand van de Allerheiligste zien, en die altijd willen voelen en vasthouden. Dat is praktisch altijd in ‘onjuiste’ situaties, precies daar kunnen we de goede dingen van God ontvangen. Jezus zei: “Kom tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven.”22 De focus van iemand die met God leeft is niet op zijn eigen leven, maar op Gods tegenwoordigheid. 

Jezus Christus heeft de wet met zijn geboden en voorschriften buiten werking gesteld, en de nieuwe mens geschapen!

Dankzij Jezus hebben wij allen door één Geest toegang tot de Vader.23

De Geest van God die we ontvangen laat ons deelnemen aan de heiligheid van God. Dat is de enige manier om zelf heilig te worden, ontvankelijk voor God en akkoord met zijn vernieuwend scheppingswerk.  

Er staat weliswaar ‘Wees heilig, want Ik ben heilig.’24 … maar we zullen nooit hard genoeg kunnen proberen en nooit goed genoeg kunnen zijn om de heiligheid van God uit onszelf te kunnen benaderen, want goede gedachten, goede eigenschappen en goed gedrag kunnen op geen enkel moment in heiligheid overgaan. De enige manier waarop we heilig kunnen zijn is door deel te nemen aan Gods heiligheid. Niet door plaats te maken voor hem in ons leven, maar door ons leven aan hem toe te vertrouwen. Hij wil het omvormen, herscheppen.

God, die door zijn Geest in ons woont is veel groter, veel schoner, veel beter dan wij zijn. Onze “innerlijke mens”25 wordt voortdurend vernieuwd als wij ons temidden van de rijkdom van God bevinden. 

In het nieuwe verbond26 worden wij niet meer gestuurd door de wet die van buitenaf geboden en voorschriften oplegt, maar door stuwing vanuit onze innerlijke mens, waarin door vernieuwing Gods wet wordt neergelegd en Gods Geest ons de levenskracht geeft om die wet na te komen. Dat is genade. De wet is niet het tegengestelde van genade, hij wordt gekanaliseerd door genade. Wetticisme, de drang om je te laten sturen door de geboden en voorschriften, is het tegengestelde van genade. 

Leven met de grote en heilige God die zich aan ons geeft in de stervende Zoon, en de uitgestorte Geest, is leven met God als onze Vader. Niet zoals wij ons een vader voorstellen, maar zoals de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, hem heeft doen kennen27.

_________________________

1 Efeziërs 2:3
2 Marcus 15:34
3 Handelingen 2: 24
4 Handelingen 2:27-28, Psalm 16:10-11
5 Romeinen 6:9
6 Kolossenzen 1:18, 1 Kor 15:20, 42
7 1 Korintiërs 15:12-28
8 Marcus 1:15
9 Marcus 1:16-20
10 Romeinen 6:4, zie ook Galaten 2:20, Kolossenzen 2:12
11 1 Korintiërs 15:31
12 Hebreeën 12:2
13 Johannes 12:24-25
14 Romeinen 1:18, 28-32
15 Johannes 16:20-21
16 Johannes 14:23-26
17 Romeinen 8: 8-11
18 Filippenzen 3:7-11
19 Romeinen 6:6-10 NBV, Kol 2: 12-14
20 Romeinen 8:2-4
21 Kolossenzen 3:1-4
22 Matteüs 11:28
23 Efeziërs 2:15 ,18 NBV
24 1 Petrus 1:16
25 2 Korintiërs 4:16
26 Hebreeën 8:8-12, Jeremia 31:31-34, Ezechiël 36:25-27
27 Johannes 1:18 NBV.