Het boek Openbaring, bijlagen

Aanvulling op de webpagina

Inhoud

Hoe lezen we het boek │ Over engelen

Hoe lezen we het boek

De kracht van profetische woorden ligt niet in hun onmiddellijke verstaanbaarheid, maar in het feit dat God ze gesproken heeft (doorheen mensen). Wat God zegt doet Hij ook; en als Hij spreekt ontstaan er dingen en gebeuren er dingen. Er is scheppingskracht in Zijn woord (Gen 1, Joh 1:3), genezende kracht (Mat 8:8) en bevrijdende kracht (Mat 8:16). Zijn woord is waarheid of realiteit en ons geloof is er op gebaseerd (Rom 10:17). Het voornaamste is dat we Gods woord bewaren (Op 1:3, Luc 11:28, Joh 14:23). Als we het eerst zouden willen begrijpen is de kans groot dat we genoegen nemen met gedeeltelijk verstaan of met misverstaan. Zo zouden we er onze eigen woorden van maken, en die zijn niet altijd helemaal waar en meestal krachteloos. Als we de woorden der profetie of wat God gezegd heeft echter intact bewaren en de uitwerking ervan afwachten, zullen ze ter zijner tijd begrijpelijker worden en kan de ‘Geest der waarheid’ ze toepasbaar maken (Joh 14:26, 16:13). Dit geldt niet alleen voor wat als profetische geschriften bekend staat, maar voor heel de heilige Schrift.

Hoe beter we de rest van de bijbel kennen, hoe makkelijker we ook Openbaring zullen kunnen lezen. Het is als een oud-testamentisch profetieboek, dat echter geschreven is ná de realiteit van Jezus Christus.

In Hem worden alle beloften van God ingelost

2 Korintiërs 1:20

Het boek bevat uitleg over verborgenheden in de oud-testamentische profetieën, ze worden er onthuld. Het is de “Openbaring van Jezus Christus” (Op 1:1), door wie uiteindelijk alles zal ingelost worden wat God ooit beloofd heeft (2Kor 1:20 NBV).

In dit verband leren we onder meer wie de slang was bij Adam en Eva (Op 12:9, 20:2) en hoe het daarmee zal aflopen (Op 20:10) als definitieve vervulling van Gods belofte dat haar kop zal vermorzeld worden (Gen 3:15). En we zien het verband tussen de profeet Daniël díe zijn boek moest verzegelen (Dan 12:4) en Jezus die de zegels verbreekt (Op 5:3-5) en de inhoud van het boek openbaart. Hoe beter we dus het boek Genesis en de profetieën van Daniël kennen, hoe beter we ook Openbaring zullen begrijpen.

Het boek Openbaring is nochtans geschreven voor gewone mensen. Niet voor experten in het oude testament en in apocalyptiek, maar voor gelovigen met gewone bijbelkennis, die wegens hun geloof met moeilijkheden geconfronteerd worden. Het boek dient om hen te helpen er overwinnend uit te komen. Maar het boek Openbaring kan ons hart niet raken, als wij de prijs voor het volgen van Jezus niet betaald hebben, of als wij de daarop volgende moeilijkheden in deze wereld niet aanvaarden (cfr. 2Tim 3:10-4:5). Het boek is niet geschreven om tijd-schema’s te maken volgens Gods agenda of om ons inside-informatie te geven over de toekomst, maar wel om lijdende gelovigen bij te staan, vooral om hen voor te bereiden om zelfs gewillig voor Jezus te sterven.

Omdat wij ons niet in zo’n situatie van martelaarschap bevinden is het boek Openbaring voor velen in de Westerse wereld een intellectuele puzzel geworden, in plaats van een opbouwend bijbelboek. Maar Openbaring kan ons hart aanspreken en dus toepasbaar zijn, als wij raakpunten ervaren met, en ons inleven in de situatie van gewone mensen die omwille van hun geloof vervolgd worden. Meer bepaald in de situatie in Asia tegen het einde van de eerste eeuw, toen het boek geschreven werd. Dit is trouwens een algemene regel bij het lezen van de bijbel: Zie eerst wat het betekende voor hen aan wie het in de eerste plaats geschreven werd, en zie pas daarna hoe het voor jezelf van toepassing kan zijn.

Het boek Openbaring bevat veel informatie over de toekomst en over de afloop van de geschiedenis, echter niet om een kalender met voorspellingen op te maken, maar om ons te helpen klaar te zíjn voor wat de toekomst brengt.

Het is Gods bedoeling om ons met Zichzelf te verenigen. Daarom is Hij bezig ons heilig te maken, zoals Hij heilig is. Hij doet dit ondermeer door ons te vullen met de juiste hoop op de toekomst. Hoop is ‘nu’ leven in het licht van de toekomst, en niet in het licht van het heden, waar we verzocht worden om vooral ‘mee’ en ‘in’ te zijn.

Hoop is ‘nu’ leven in het licht van de toekomst, en niet in het licht van het heden, waar we verzocht worden om vooral ‘mee’ en ‘in’ te zijn.

Verlangen naar een goed functionerend leven en standvastige hoop kunnen ons motiveren om te worden zoals de Heer is. We zullen pas kunnen zeggen dat we Openbaring met vrucht lezen als onze hoop en daardoor ook onze heiliging toeneemt. De bijbel, ook het boek Openbaring, is niet bedoeld om tegemoet te komen aan onze nieuwsgierigheid omtrent de toekomst, maar om ons er op voor te bereiden.

Het boek Openbaring is geschreven in het licht van de voornaamste verwachting die God heeft van de gelovigen, met name: “de volharding der heiligen, die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren” (Op.14:12 NBG51, zie ook 2Tim.4:7).

Het boek bevat veel beelden, en het is geschreven voor de dienstknechten van de Heer Jezus (de Messias), om hen te laten zien “wat weldra moet geschieden” (Op 1:1,3; 4:1). Tot voor kort was Johannes, samen met de andere discipelen, dagelijks heel dicht bij Jezus geweest. Hem volgen was toen heel concreet meegaan met hem. Maar nu was Jezus van de aardbodem verdwenen, en zijn volgelingen bleven achter met de grote vraag hoe het nu verder moest … Ze hadden de Heilige Geest leren kennen, die Jezus als andere Trooster vanuit de hemel in hun binnenste gezonden had, maar ze misten de tastbare Jezus in hun ontluikend nieuw leven. Hun hoop op een nieuw koninkrijk dat de wereld zou veroveren was onveranderd gebleven, maar hoe zou het verhaal nu verder gezet worden? Zonder Jezus op de troon was er immers geen grond voor hun nieuw leven, en er was nog niets te merken van een oprukkende Messiaanse heerschappij. Gods koninkrijk, waarin alles in orde zou komen, werd enkel vertegenwoordigd door hun eigen getuigenis en het werd bestuurd van achter de schermen.  Maar nu mag Johannes een blik achter de schermen werpen, en dankzij zijn boek kunnen ook wij zien wat daar gaande is en wat weldra moest geschieden en nog steeds aan de gang is.  

Het boek Openbaring toont iets van de onzichtbare realiteit waarbinnen de zichtbare feiten zich afspelen. Geestelijke en bovenaardse machten van ​het kwaad teisteren deze wereld, het goede waar een mens zich naar uitstrekt en waarvan hij geniet blijkt uiteindelijk door kwaad te zijn aangetast. Het kwaad bestrijden blijkt onbegonnen werk, we gaan de tak waarop we zitten niet afzagen, “we zeggen dat we rijk zijn, dat we alles hebben wat we willen en niets meer nodig hebben”. Dit is een citaat uit het boek Openbaring, maar er staat ook bij dat “we niet beseffen hoe ongelukkig we zijn, hoe armzalig, berooid, ​blind​ en naakt” (Openb 3:17). Het is te gemakkelijk om de ogen te sluiten voor misleidingen en mee te doen met het verderfelijke. Dit biedt geen rooskleurige vooruitzichten. Het boek Openbaring werkt voortdurend toe naar de dag waarop God definitief afrekent met het kwaad en aan de mensen die Hem trouw zijn een intieme plaats geeft in zijn onvergankelijke bestaan. Belangrijker dan het zoeken naar voorspellingen bij het lezen van het boek Openbaring en de bijbel in het algemeen, is het ontdekken van het verband tussen verleden heden en toekomst. In dit proces zijn we immers zelf betrokken, en dragen wij dus verantwoordelijkheid. Het geheel van wat gebeurd is, wat gegroeid is in de nasleep van voorbije feiten, wat we zelf meemaken en wat we daarbij zelf veroorzaken, is heel gecompliceerd en ontaardt in grotendeels chaotische toestanden. Maar zoals een beeldhouwer uit een rotsblok een beeld tevoorschijn doet komen, haalt God uit de chaos van de geschiedenis een nieuwe schepping tevoorschijn (Rom 8:18-30). Wij kunnen het complexe verband tussen gebeurtenissen en hun gevolgen niet goed zien, maar wie Jezus kent gelooft in een God die heel het woelige verleden niet simpelweg registreert, maar het verwerkt tot een toekomst die uiteindelijk vredevol zal zijn, stabiel en bruisend van leven. Deze ingreep van God is gebaseerd op zijn oordeel. Alles uit het verleden wat waardeloos blijkt te zijn voor de toekomst die God er van maakt, is als vuilnis, bestemd om te verdwijnen (vuur! 1Kor 3:13-15). Het waardevolle daarentegen is een bestanddeel voor de eeuwigheid, schatten die we nu reeds in de hemel verzamelen en waar we nu ons hart op richten (Mat 6:20-21).

Alleen dat is waardevol wat naar Gods wil is, daarom houden wij ons aan zijn geboden. Maar omdat wij in de complexiteit van onze gevallen toestand, een leven naar Gods wil niet aankunnen, kunnen wij het waardevolle of het goede of wat met de gerechtigheid overeen komt, alleen van de “beeldhouwer” verwachten. Alleen Hij kan voor degelijk materiaal zorgen, dat zijn “levende stenen” (1Pet 2:5) voor “Gods bouwwerk” (1Kor 3:9). Concreet zijn dat de volgelingen van Jezus. Alleen door gelijkvormigheid aan Hem kunnen mensen in Gods oordeel als waardevol behouden worden, waardoor Jezus de eerste zal zijn van een groot aantal broeders en zusters (Rom 8:29, 2Kor 3:18). Het was om Jezus Christus echt te leren kennen, dat Paulus alles wat menselijk gezien voor hem winst was, als verlies is gaan beschouwen. Hij gooide vrijwillig alles als afval weg, om één met Christus te kunnen zijn. Zo leert Paulus ons om het waardevolle te verwerven, niet door zelf te proberen Gods geboden na te leven, maar door de vrije hand te geven aan de “beeldhouwer”, of uitsluitend te rekenen op Gods streven naar gerechtigheid, wat Hij verwezenlijkt in hen die hun vertrouwen helemaal op Christus stellen (Fil 3:7-9; Rom 1:17, 3:21-22).

Over engelen

De bijbel gaat er van uit dat buiten God zelf, die alles geschapen heeft, een complexe onzichtbare realiteit mede bepalend is voor wat wij in de zichtbare wereld meemaken. Een systematische uitleg daarvan, zoals wij die vandaag graag zouden hebben, wordt ons niet gegeven. Maar het is duidelijk dat deze onzichtbare realiteit deel uitmaakte van het wereldbeeld in de tijd dat de bijbelboeken werden geschreven. Niettegenstaande dit heel vreemd is aan ons hedendaagse wereldbeeld, kan ook vandaag niemand de bijbel lezen en geloven zonder te aanvaarden dat deze onzichtbare realiteit en de wezens en machten die er deel van uitmaken echt bestaan. 

De Bijbel spreekt over de verhouding tussen God en mensen en biedt weinig of geen inzicht over de onzichtbare wereld. We weten dat er geestelijke wezens zijn en dat ze dingen gedaan hebben, doen en zullen doen, maar over hun eigenlijke natuur, hun soort leven, hun geschiedenis, cultuur enz… wordt niet gesproken.

Een veel voorkomende algemene benaming voor deze onzichtbare wereld is ‘heerscharen’ of hemelse legermacht. God is de ‘Heer der heerscharen, die op de cherubs troont’ (1 Samuël 4:4; 2 Samuël 6:2; Jesaja 37:16). De profeet Micha zag heel het ‘heer des hemels‘ bij God staan. Hij zeide: ‘Daarom, hoor het woord des HEREN. Ik zag de HERE op zijn troon zitten, terwijl het ganse heer des hemels aan zijn rechterhand en aan zijn linkerhand stond.’ (1 Koningen 22:19 NBG51).

Here der heerscharen, God van Israël, die op de cherubs troont, Gij, Gij alleen zijt God over alle koninkrijken der aarde; Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt.

Jesaja 37:16 (NBG51)

Toen ten tijde van Elisa, Israël bedreigd werd door een overmachtig, vijandig leger, werden de ogen van de bezorgde knecht van Elisa geopend voor de onzichtbare realiteit: “toen zag hij dat de heuvels vol stonden met paarden en wagens van vuur, die Elisa omringden.” (2 Koningen 6:17).

‘Het heer’ of ‘heir’ zijn oud-nederlandse benamingen voor een legermacht. Deze woorden zijn gebruikt om het Hebreeuwse ‘Tzevaot’ (of Zebaoth) te vertalen. ‘Jahweh Tzevaot’ of ‘de Heer Zebaoth’ of ‘Heer der heerscharen’ is een naam van God die zegt dat Hij de machtige Koning en eeuwige Gebieder is over alle krachten en machten van de hemelen en van de aarde. Deze bijbelse term hoeft niet noodzakelijk een militaire betekenis te hebben. 

De benamingen om individuen in deze heerscharen aan te duiden kunnen in drie categorieën ondergebracht worden. De eerste categorie benamingen verwijzen naar wat dit lid van de hemelse legermacht in wezen is, zoals ‘geest’ of geestelijk wezen. 

Een tweede categorie zijn de hiërarchische termen, die verwijzen naar een rangorde. ‘Zonen van God’ is zo’n uitdrukking om leden van de hemelse wereld aan te duiden met hun rang. Bijvoorbeeld in Job 38:7, sprekend over het moment dat de aarde geschapen werd en de hemellingen toekeken: ‘… al de zonen Gods jubelden’. Ook in Job 1:6 en 2:1 staat in de Hebreeuwse grondtekst dezelfde uitdrukking, soms woordelijk vertaald als ‘zonen Gods’, in andere vertalingen geïnterpreteerd als ‘hemelbewoners’ of ‘hemellingen’. Eigenlijk is deze titel ‘zonen Gods’ afkomstig uit het koninklijk hof in het antieke Nabije-Oosten. Daar sloeg dit op de elitaire klasse in de hofhouding. De hoogste posities waren voor de zonen of geadopteerde zonen van de koning. De hemelse zonen van God hebben deze bevoorrechte positie of de hoogste rang. 

De derde categorie zijn de benamingen die naar een functie verwijzen, een soort functiebeschrijving. Cherubs hebben kennelijk de functie om de Heer en zijn tegenwoordigheid te bewaken. Hij is de heilige God en kan niet door iets onreins worden benaderd. Wij zien de cherubs daarom altijd als staande tussen God en mensen. In Genesis 3:24 treden cherubs op als bewakers van de boom des levens. Bij de bouw van de tabernakel geeft God duidelijke instructies om afbeeldingen te maken van cherubs die de ark van het verbond overschaduwden en zo beschermden (Exodus 25:18-20; zie ook Exodus 37:6-9; Hebreeën 9:5). Op het verzoendeksel was Gods aanwezigheid, het was een uitbeelding van Gods troon in de hemel.

Engelen zijn ook hemellingen die zo genoemd worden omdat ze een welbepaalde taak hebben. Die benaming zegt niets over hun wezen, noch over hun rang, het zegt alleen dat ze een opdracht vervullen. 

‘Engel’ is de Nederlandse vertaling van ‘angelos’ uit de Griekse grondtekst van het nieuwe testament. Dit betekent ‘boodschapper’. Het Hebreeuwse woord ‘malak’ dat in het Oude Testament wordt gebruikt, betekent ook ‘boodschapper’. Over engelen zegt de Hebreeënbrief (1:14 WV) ‘Wat zijn zij anders dan dienende geesten, uitgezonden ten behoeve van hen die de redding zullen ​erven?’  Hier worden ze ‘dienende geesten’ genoemd, onzichtbare bovennatuurlijke wezens. Maar in andere Bijbel-passages zijn het zichtbare personen, soms on-aards en schrikwekkend, soms niet te onderscheiden van mensen. Soms een ordinaire dienaar, soms een aanvoerder van de hemelse legermacht. Maar steeds door God vanuit de hemel met een boodschap of met een welbepaalde opdracht naar de aarde gestuurd. Ze werken mee in de uitvoering van Gods missie, de redding van de mensheid, die door Jezus Christus verworven werd en nu gerealiseerd moet worden in de individuen en hun samenleving.

Enkele voorbeelden

Het bezoek van de engel aan de herders, om Jezus’ geboorte aan te kondigen  (Lucas 2:8-13) was heel indrukwekkend. Vers 9 (WV): Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken.

Maar engelen kunnen evengoed incognito verschijnen. Hebreeën 13:2 (NBG51) Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen, zonder het te weten, engelen geherbergd.

Vlak voor de inname van de stad Jericho door Israël, dat op dit moment niet over een noemenswaardig leger beschikte, ontmoette Jozua de aanvoerder van het leger van de Heer, Jozua 5:13-15.

En Elia, die zich depressief had teruggetrokken in de woestijn, kreeg bezoek van een gewone engel die alleen maar voedsel bracht, 1 Koningen 19:5-8.

Zie, Ik zend mijn engel voor u uit om u onderweg te beschermen en u naar de plaats te brengen die Ik heb vastgesteld. 

Exodus 23:20 (WV)

Davids had een heel concreet vertrouwen op de Heer, omdat zijn visie op de hemelse legermachten zeer concreet was.

David trad de reus Goliath tegemoet in de naam van de HEERE der heerscharen:
1 Samuël 17:45 Maar David zeide tot de Filistijn: Gij treedt mij tegemoet met zwaard en speer en werpspies, maar ik treed u tegemoet in de naam van de HERE der heerscharen, de God der slagorden van Israel, die gij getart hebt. (NBG51)

De God der heerscharen was met David:
2 Samuël 5:10 En David nam steeds toe in grootheid, en de HERE, de God der heerscharen, was met hem. (NBG51)

Engelen staan steeds in dienst van God. Ze dienen geen enkel ander belang en zijn een toonbeeld van ware aanbidding. In iedere opdracht van God zullen zij ons, aardse mensen, tot aanbidding van God leiden. Zij worden door God gezonden om te helpen bij onze redding, zodat we samen met hen de reddende God kunnen aanbidden. Lees Openb 5:11-13; 7:11-12; 8:3-3-4.

Alhoewel wij weten dat engelen betrokken zijn in onze concrete situaties is het niet geoorloofd om hun hulp in te roepen of met hen te onderhandelen, noch om hen eer te bewijzen. Ze beantwoorden alleen Gods opdrachten en alle eer komt aan God toe. 

We geloven dat God de schepping uit het niets heeft doen ontstaan, door zijn woord. Deze schepping functioneert ogenschijnlijk zelfstandig, volgens ontdekbare regels, maar is in werkelijkheid veel complexer dan wij kunnen waarnemen. Wij geloven dat de Schepper voortdurend de gang van zaken controleert, en blijkbaar is zijn betrokkenheid of inmenging niet ‘uit het niets’ maar veelal door middel van ‘dienaren’ die deel uitmaken van de schepping. Dit zijn vooral engelen, want die beschikken over bovennatuurlijke mogelijkheden. God is vooral begaan met de mensen. Zij zijn naar zijn beeld gemaakt en belast met het beheer van de aardse schepping (Gen 1:26-28), daarom hebben zij de taak om de Schepper te vertegenwoordigen in de schepping. Dit vereist een goede verstandhouding en samenwerking met de Schepper. Al wie daar ondanks eigen zwakheid wil aan voldoen en dus niet meer voor zichzelf wil leven kan aansluiten bij het verbond dat God aanbiedt. Dit zijn de ‘verlosten’ in wiens voordeel God in het bijzonder engelen zal inzetten (Hebreeën 1:14). We lezen ook dat aan kinderen een engel is toegewezen (Matteüs 18:10), aan kerkgemeeenschappen (de boodschappen aan de zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3 zijn gericht aan hun respectievelijke engelen) en allicht aan nog veel meer dan ons kenbaar gemaakt is. 

We mogen de betrokkenheid van engelen in het leven van de verlosten niet verwarren met de ‘verlossing’ zelf. Dit laatste is weldegelijk een scheppingsdaad van God, door zijn woord, en een permanente begeleiding door en gemeenschap met God zelf. In Christus zijn wij een nieuwe schepping (2Kor 5:17) aan wie nu en voor eeuwig de Heilige Geest gegeven is (Joh 14:16), om te realiseren wat als mens in de oorspronkelijk geschapen maar in zonde gevallen toestand onmogelijk was (Rom 8:4).

Gevallen engelen

Er zijn ook ongehoorzame engelen of ‘engelen, die gezondigd hadden’ en uit de hemel gestoten zijn (2 Petrus 2:4). Op de oordeelsdag, bij de ‘komst van de Mensenzoon in heerlijkheid’, zal Jezus de veroordeelden wegsturen naar ‘het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen’ (Matteüs 25:31,41). De duivel is de tegenstander van God en mensen, de leugenaar en kwaadspreker. Tegenstander is in het Hebreeuws ‘satan’ en duivel komt van het Grieks voor ‘kwaadspreker’. Hij is als de aanklager in een gerechtshof die wil aantonen dat de mens afvallig is ten opzichte van zijn Schepper en in wezen moreel verdorven is (zie Job 1:6-12, en doorheen de bijbel kunnen we zijn praktijken als verleider zien). Blijkbaar heeft hij nog geestelijke wezens in dienst (zijn ‘engelen’, wat een benaming is voor hun functie). In het nieuwe testament wordt verder gesproken over onreine geesten (Luke 11:24–26), of demonen die mensen tijdens hun leven kwellen, al dan niet door bezetenheid (Matteüs 17:15-16,18). Ze kunnen mensen angstig maken of ziek of hen tot zonde aanzetten. 

Hebreeën 2:14 zegt dat de Zoon een mens geworden is om door zijn dood definitief af te rekenen met de heerser over de dood, de duivel. Deze onzichtbare vijand is overwonnen door Christus, maar het is belangrijk dat wij rekening met hem blijven houden. De vijand is (nog) niet vernietigd, we kunnen alleen delen in Christus’ overwinning, door verbonden of één te zijn met Hem. Kolossenzen 2:8 zegt ‘Wees op uw hoede en laat u niet meeslepen door holle en misleidende theorieën die op menselijke tradities zijn gebaseerd en zich richten op de machten van de wereld en niet op Christus.’ De wereld, die niet met Christus verbonden is, staat onder de invloed van de machten van de wereld. Achter de schermen is de ‘heerser van deze wereld’, of de ‘overste dezer wereld’ (NBG51) nog steeds actief. Hij is de tegenstander van Jezus Christus (Johannes 12:31; 14:30; 16:11). Paulus noemt hem ‘de god van deze eeuw of van deze wereld’ (2 Korintiërs 4:4) en ‘de heerser of de overste over de machten in de lucht’ (Efeziërs 2:2). Hij is degene die de hele wereld misleidt (Openbaring 12:9). Hoewel we er ons niet op toeleggen om deze god of overste dezer wereld te leren kennen, zullen we ons toch tegen hem verdedigen. Niet met eigen middelen, maar door kennis van en verbondenheid met Christus en zijn verlossing. In Efeziërs 6:11-12 schrijft Paulus: Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels; want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. 

Aangezien wij vertrouwen op de overwinning van Jezus Christus, is het in de praktijk niet belangrijk om onderscheid te kunnen maken tussen de verschillende vormen en benamingen van de boze. Maar het helpt bij het bijbellezen, te zien dat verschillende benamingen gewoon als synoniemen vermeld zijn in bijvoorbeeld Openbaring 20:2 “hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, en hij bond hem …“. Het is duidelijk dat doorheen de geschiedenis steeds weer dezelfde tegenstander van God de mensheid belaagt. Eén overwinning van onze Heer was voldoende. 

Boze geesten

Er is een verhaal in Genesis 6:1-4 over de ‘zonen Gods’ die kinderen verwekten bij ‘dochters der mensen’. In literatuur die geschreven werd in de periode tussen het oude- en het nieuwe testament (vooral de boeken van Henoch) wordt de oorsprong van demonen hiermee in verband gebracht. Demonen zouden de lichaamsloze geesten zijn van de overleden nakomelingen van die ‘zonen Gods’ en ‘dochters der mensen’. Ze worden de ‘Nephilim’ genoemd, in onze bijbel vrij vertaald als ‘reuzen’. Ze zouden de oorzaak geweest zijn van groot verderf en de zondvloed zou hen van de aardbodem verwijderd hebben. Verschillende kerkvaders uit de eerste eeuwen sloten zich aan bij deze gedachte. Hieronder is ook een mogelijke reden omschreven om deze visie te verwerpen. 

De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam.

Genesis 6:4 (NBG51)

“In die dagen” en “de voortijd” verwijst naar de tijd voor de zondvloed en de ark van Noach. Er is in de bijbel geen enkele andere tekst die hetzelfde zegt als Gen 6:1-4, we behoren dus heel bescheiden te zijn als we deze passage willen uitleggen. De moeilijkheid ligt in het bepalen wie deze ‘zonen van God ‘ zijn. 

Voor sommigen ligt het voor de hand dat het dezelfde wezens zijn als de ‘zonen Gods’ die in het boek Job beschreven worden als hemelse toeschouwers bij de schepping der aarde (Job 38:7), engelachtigen dus (zie ook Job 1:6; 2:1). De uitdrukking ‘zoon van God’ komt in deze betekenis ook voor in het boek Daniël, als de drie mannen in de brandende oven werden geworpen, en een vierde persoon in het vuur werd gezien, ‘lijkend op een godenzoon’ (Dan 3:25 NBV). Deze ‘zonen Gods’ zouden dus volgens Genesis 6 in mensenvorm op aarde opgedaagd zijn en gemeenschap gehad hebben met menselijke vrouwen. De kinderen die daaruit voortkwamen waren super-menselijk, maar minder dan de hemelse ‘zonen Gods’. 

Volgens andere uitleggers zijn de ‘zonen Gods’ uit Genesis 6 de nakomelingen van Set, Adams derde zoon die godvrezend was. Zij zouden dan gehuwd zijn met ‘dochters der mensen’, nakomelingen van de goddeloze Kaïn, de eerste zoon van Adam. Nog anderen grijpen in hun uitleg naar helden uit het mythisch verleden, mythologische figuren die half mens, half god zijn. 

Er zijn echter in het nieuwe testament twee passages die goed aansluiten bij de opvatting dat de zonen Gods engelachtigen zijn, de ene staat in de tweede brief van Petrus en de andere in de brief van Judas.

2 Petrus 2:1-10

Hier beschrijft Petrus hoe moeilijk de tijden aan ’t worden zijn voor de christenen. Sommigen vallen af van hun geloof, ontkennen de waarheid over Jezus Christus en brengen losbandigheid en verderf in de kerk. Petrus beroept zich op de Schrift (wat wij het oude testament noemen) om aan te tonen dat in tijden waarin afkeer van God en moreel verval gaan domineren, God zijn getrouwen bevrijdt. Hij concludeert: ”De Heer blijkt dus godvruchtigen uit de beproeving te kunnen redden” (2:9). Hij verwijst naar twee voorbeelden. Het eerste is de geschiedenis van Noach in Genesis 6 en het tweede is Lot die gered wordt uit de vernietiging van Sodom en Gomorra (2:5-7). Beide voorbeelden hebben een negatief deel en een positief deel.

  • indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, (vs4) … maar Noach … bewaard heeft, (vs5)
  • de steden Sodom en Gomorra tot as verbrand heeft (vs6) maar de rechtvaardige Lot … heeft behouden (vs7) 

Petrus haalt twee gelijkvormige voorbeelden aan. Het verhaal van de ondergang van Sodom en Gomorra wordt ook in Genesis 19 onmiddellijk gevolgd door het verhaal van de redding van Lot. Dus, kunnen we in analogie daarmee zeggen dat, als hij in het andere voorbeeld spreekt over de engelen die gezondigd hadden, onmiddellijk gevolgd door de redding van Noach en zijn familie, hij over Genesis 6 spreekt. Want het verhaal in Genesis 6:1-4 over de zonen Gods die tot de dochters der mensen kwamen wordt onmiddellijk gevolgd door het verhaal van Noach. In Petrus’ gedachten waren ‘de zonen Gods’ dus ‘engelen’. Genesis 6:1-4 is trouwens het enige verhaal in de bijbel dat in aanmerking komt voor een vermelding van engelen die gezondigd hebben. Als we er van uitgaan dat Petrus zijn lezers wilde bemoedigen met welgekende verhalen uit de Schrift, moeten we ook aannemen dat er toen geen twijfel over bestond dat de ‘zonen Gods’ engelen waren. 

Judas 6-7

Bij Judas zien we hetzelfde. Hij spreekt over ‘goddelozen, die de genade van onze God misbruiken als voorwendsel voor losbandigheid en die onze enige meester en Heer, Jezus Christus, verloochenen’ (4), en verder over valse profeten (8). Ook hij haalt een voorbeeld aan uit het oude testament met de gedachte dat als God in het verleden kon bevrijden, Hij dit ook in de toekomst kan doen (5). Als voorbeeld verwijst hij naar de engelen die hun oorspronkelijke positie ontrouw werden en de hun toegewezen plaats verlieten (6); en naar Sodom en Gomorra en de naburige steden waarin vreemde wezens achterna werden gelopen om ontucht te plegen. In Sodom en Gomorra werd inderdaad, net als in Genesis 6, een abnormale vorm van seksualiteit tussen mens en engel gezocht (Gen 19:1-8). Als God zijn volk kon redden van de meest perverse toestanden zoals in Genesis 6 en 19, dan zal Hij ook hen kunnen redden die zich in de wantoestanden bevinden die Judas in deze brief aanhaalt. 

Sommigen verwerpen deze uitleg met seksuele betrokkenheid van engelen, omdat Jezus eens gezegd heeft: bij de opstanding trouwen de mensen niet en worden ze niet uitgehuwelijkt, ze zijn dan als engelen in de hemel. (Matteüs 22:30). Maar deze uitspraak van Jezus slaat weldegelijk op ‘engelen in de hemel’, terwijl het hier gaat over engelen die de hemel verlaten hebben en zich op aarde bevinden.

Anderzijds moeten we wel toegeven dat de 2de brief van Petrus, en vooral de brief van Judas gedachtegoed vertolken uit de joodse literatuur van de intertestamentaire periode, die nu als ‘apocrief’ wordt bestempeld. Apocriefe boeken hebben de allure van een bijbelboek, maar zijn twijfelachtig, ongeloofwaardig en niet authentiek. Sommige apocriefe boeken bevatten waardevolle teksten, maar geen enkel is door joden erkend als geÏnspireerde Schrift.  Nochtans hebben nieuwtestamentische schrijvers en vroegchristelijke schrijvers toenmalige populaire gedachten overgenomen die niet in ‘de Schrift’, het oude testament, gevonden worden maar wel in apocriefe geschriften. Zo blijkt Michaëls strijd met de duivel over het lijk van Mozes die in Judas 9 wordt aangehaald, niet uit de bijbel te komen, maar ontleend te zijn aan het apocriefe boek ‘De hemelvaart van Mozes’. En in Judas 14-15 wordt een citaat aangehaald uit het apocriefe boek 1Henoch (1:9). 

De gedachte dat de ‘reuzen‘ uit Genesis 6 de demonen zouden worden is ook van apocriefe oorsprong (1Henoch 15:8–12, 16:1). Als we echter de tekst uit Genesis nauwkeurig bekijken: De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen … (NBG51) dan valt het op dat de reuzen er reeds waren ‘in die dagen’, en ook ‘daarna’. Het is dus mogelijk dat volgens deze tekst de reuzen niets te maken hadden met de seksuele gemeenschap tussen engelen en mensen, want ze waren er reeds vóór die gebeurtenissen. Dat zou betekenen dat de kinderen uit die gemeenschap niet nader omschreven zijn, waaruit we kunnen concluderen dat ze geen noemenswaardige bovenmenselijke kenmerken zullen gehad hebben. Dat de reuzen niets te maken hadden met de vreemde seksuele gemeenschap zou ook afgeleid kunnen worden uit het laatste deel van de zin: dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam. De schrijver van Genesis 6 blijkt hier te impliceren dat het mannen waren met een reputatie, gekende figuren uit de tijd vóór de zondvloed. Dus geen buitengewoon ras. De vertaling ‘reuzen’ van het oorspronkelijke ‘Nephilim’ is immers ook geïnspireerd door de intertestamentaire apocriefen, maar de benaming hoefde oorspronkelijk niet noodzakelijk supermenselijk bedoeld te zijn. 

De betekenis van het Hebreeuwe ‘Nephilim’ is onzeker, mogelijks is dit “gevallenen” (zonen van gevallen engelen). De apocriefe literatuur, met name het “Boek van de wachters” in 1 Henoch, interpreteerde de nephilim als kwaadaardige bastaardkinderen van gevallen engelen, geweldenaars van grote gestalte. De Griekse vertaling van het oude testament, uit de derde eeuw v.Chr. (de Septuagint), koos voor het woord “Gigantes” wat taalkundig “geboren op aarde” betekent. Maar in de Griekse mythologie is het ook de naam van “gewelddadige reuzen”, zoals de Nephilim uit de apocriefen. De Grieks mythologische ‘Gigantes’ (Γίγαντες), waren zonen van Gaea (of Gaia), de godin van de natuur, de oermoeder die oprijst uit de aarde. Deze ‘Gigantes’ waren ontzaglijke reuzen, ze voerden strijd met de mythologische goden en de hemel.

Laten we echter niet vergeten dat Paulus in 1Timoteüs 1:4; 4:7, net als in Kolossenzen 2:8, waarschuwt om zich niet bezig te houden met banale mythen en eindeloze geslachtslijsten. Dat zijn precies de dingen die we in de boeken van Henoch vinden, o.a. ellenlange geslachtsregisters van engelen die uitkomen bij Satan. Deze boeken verwijten al het kwaad aan Satan en zijn engelen, terwijl de bijbel de zondige mens verantwoordelijk acht. Laten we ons richten op onze Heer en zijn overwinning, en ons niet laten afleiden door de overwonnene.